Met zachte hand tegen botte kracht

Primeur: vioolleerlingen de MRI-scanner in

Het is nog niet eerder vertoond, maar Dr. Nina Campbell heeft de MRI-scanner van het VU medisch centrum elke eerste dinsdag van de maand de hele ochtend afgehuurd. Haar leerlingen moeten – mét viool en al – het reusachtige gevaarte in. Samen met haar medische assistent gaat ze precies na waar de onnodige kracht en verkramping optreedt. Voordat die energieverspilling ongedaan is gemaakt, kan zij haar leerlingen weinig bijbrengen. Vroeger duurde dat maanden (of jaren). Door een unieke samenwerking tussen Philips, het VU medisch centrum en de musicoloog en musicus Dr. Campbell kan binnen twee weken daarna de echte muziekles beginnen. Wij interviewden Dr. Nina Campbell in haar charmante repetitieruimte in Oud-Zuid.

Vingertop als top van de ijsberg

“Viool spelen is heel moeilijk. Dat weten de meeste violisten ook wel, maar zij begrijpen niet waar de echte moeilijkheden zitten. Problemen worden vaak opgelost door nieuwe problemen te creëren. Neem de niet soepele plaatsing van een vingertop. Tenslotte worden de hoogte en de klank van alle noten op een viool (afgezien van de losse snaren) door de vingertoppen bepaald. Veel problemen ontstaan aan de vingertop met als gevolg onzuiverheid, slechte klank, moeilijkheden bij snelle passages etc. Wat veel violisten niet begrijpen, is dat de vingertop het topje van de ijsberg is.

mmv

Ze gaan nog meer kracht in de vinger ontwikkelen (soms door urenlang ingewikkelde etudes te spelen), nog meer kracht in de hand. Tenslotte verkrampen de hele linkerarm en de linkerschouder. Soms klinkt het dan nog niet eens zo slecht, maar het is een fundamenteel verkeerde oplossing. In plaats van de roestige machine een beetje te oliën, wordt er een tien keer zo sterke motor op gezet. Schouders worden nog stijver, spieren worden nog krampachtiger. De energie spettert er vanaf. Vooral mannen hebben er een handje van (niet alleen bij het vioolspel overigens), intelligentie door brute kracht te vervangen. Een steeds grotere motor op een steeds roestiger mechaniek. Maar eens gaat het mechaniek kapot en dan is het voorbij met het vioolspel.

Voor mij als leraar is het vaak niet eens zo gemakkelijk te zien wat er aan de hand is. Je kunt wel heel veel zien aan de buitenkant. Je kunt ook in spieren, handen en armen knijpen om te voelen hoe alle soepelheid verdwenen is bij bepaalde leerlingen. Maar het is toch vaak moeilijk om te zien wat er fysiologisch gebeurt.

Iedereen door de machine!

Aan sponsoren voor klassieke muziek te komen is best lastig. Ik probeerde maar eens of ze bij Philips Medische Systemen belangstelling hadden. Die hadden ze. Zij overtuigden mij er al snel van dat 25% van mijn leerlingen beter patiënten genoemd zouden moeten worden: mensen die weliswaar de ambitie hebben muziek te maken, maar die motorisch ziek zijn en steeds zieker worden door het mishandelen van hun spieren en gewrichten. Philips is geïnteresseerd in deze doelgroep en wilde in een unieke combinatie van sponsoring en research graag hun MRI-techniek inzetten.

mri

In Fase 1 zou het om fysiologisch onderzoek naar verkrampte spieren gaan. Wellicht zou in Fase 2 het neurotische brein van zulke zichzelf mishandelende musici onder handen genomen kunnen worden. Ik vond dat een goed idee en zo begon een samenwerking met Philips en een ziekenhuis in Amsterdam. Al mijn leerlingen moeten eerst maar eens “door de machine”, zoals we dat hier noemen.

Als u een paard was, …

Nu had ik geen zin omdat allemaal zelf te doen. In overleg met het ziekenhuis nam ik een assistent aan met de nodige voorkennis. Op zichzelf was het geen probleem dat hij diergeneeskunde had gestudeerd. Pavlov wist het al: varkens en mensen zijn niet zo verschillend. Toch ging er wel eens wat fout. Toen we de aanvoerder van de tweede violen van een belangrijk Nederlands barokensemble door de machine hadden gehaald, zei mijn assistent, nadat hij het spierpatroon had geanalyseerd, spontaan

paard

“Als u een paard was, zou ik adviseren u af te laten maken, maar het heeft in dit speciale geval misschien toch zin om iets aan uw spiergebruik te verbeteren. Begrijp mij niet verkeerd, het klinkt prima, maar het is (zeker door de MRI-scanner) niet om aan te zien wat u doet.” Die violist hebben we niet meer teruggezien. Ik heb mijn assistent gevraagd iets diplomatieker op te treden in het vervolg. Al mijn beginnende leerlingen – patiënten dus – zijn inmiddels door de intake-scan gegaan en worden na een half jaar nog eens gecontroleerd.

Met zachte hand tegen botte kracht

Zijn ze dan krampvrij, dan kan ik met de vioolles beginnen. Zijn ze na een half jaar nog ernstig verkrampt, dan adviseer ik ze óf met muziek op te houden óf een instrument te gaan bespelen dat je een beetje normaal kunt vasthouden (bijna alle instrumenten behalve viool en altviool). Gaan ze wel door, dan gaan we de hand nog zachter maken en alle onnodige kracht uit het hele systeem uitroeien. Ons motto: met zachte hand tegen botte kracht.”

__

Naschrift:
Dit artikel is natuurlijk pure fantasie en grotendeels onzin. De hier ten tonele gevoerde Dr. Nina Campbell bestaat niet, maar haar fictieve uitspraken in dit verhaal (uitsluitend voor mijn rekening!) zijn geïnspireerd door de uitstekende lessen die ik regelmatig bij Mimi Mitchell (binnenkort Dr. Mitchell) in Amsterdam volg.

Natuurbeleving in Fochteloërveen en Weerribben

Waarnemen en Beleven

Op pad met de Vogelwerkgroep KNNV Leiden naar Fochteloërveen en de Weerribben op 17 en 18 juni 2017

 

De kraanvogel

Het was vroeg die ochtend. Dozen met krentenbollen, broden, plakken kaas, gekookte eieren en nog veel meer de auto inladen bij het huis van Anke en dan naar het zwembad. De mede-vogelaars die er nog niet stonden, kwamen snel aan en toen kon een rit van meer dan 200 km beginnen. Het was rustig op de weg. Gelukkig waren er nog vele miljoenen Nederlanders die niet op zo’n dwaas idee gekomen waren RM3_2845als vogeltjes kijken op de grens van Friesland en Drenthe. Als autorijden niet saai is, is het meestal gevaarlijk. Het was gelukkig saai. Niet lang na tienen beklommen wij de malle uitkijktoren aan de rand van het Fochterloërveen, ook wel ‘De Zeven’ genoemd naar zijn opvallende vorm. Op de website van Natuurmonumenten lezen wij: “De uitkijktoren in het Fochteloërveen met zijn adembenemende uitzicht is een opvallende verschijning. De belangrijkste eis vooraf was om een toren te ontwerpen die ook gebruikt zou kunnen worden door mensen met enige hoogtevrees. De gekozen oplossing is een knik in de steile trap. Je kunt hierdoor de totale hoogte niet overzien. De 18 m hoge toren is als een gedraaide zeven en wordt ook wel de periscoop genoemd.” Werden alle minderheden maar zo goed bediend als die kleine groep natuurliefhebbers met hoogtevrees. Het zijn nogal wat treden, maar dan heb je ook wat. Toen Anke de eerste kraanvogels had gelokaliseerd en de hele groep trillend van opwinding door de telescopen naar deze bijzondere vogels had geloerd, was voor de groep een belangrijk doel bereikt: de kraanvogel stond op de lijst.

Een eilandje in de intensieve landbouw

Het Fochteloërveen is het laatste overblijfsel van een ooit uitgestrekt hoogveengebied. Als een verloren eilandje te midden van de intensief gebruikte landbouwgronden met hun sterk verlaagde waterspiegels, probeert het met hulp van natuurbeschermers, beleidsmakers en wetgevers te overleven. Dat is helemaal niet eenvoudig omdat het fragiele ecosysteem het vervuilde water uit de omgeving niet kan verdragen en helemaal van zuiver regenwater afhankelijk is, dat door een sawa-achtig systeem van dijkjes in het veen gehouden wordt. Overal rukken de struiken en boompjes op. Een te kleine schaapskudde kan hier een daar ingezet worden, maar met beperkt resultaat. De boeren in de omgeving zijn er niet altijd zo blij mee. Eén boer stak de zaak niet zo lang geleden op meerdere plekken in brand, waarvoor hij niet in de gevangenis maar in de psychiatrische inrichting belandde.

RM3_2842

Ik was net van een lange fietstocht in Schotland teruggekeerd. De eindeloze hoogvenen op de Hebriden (Lewis, Harris, Uist, etc.) zijn wel iets anders dan dit postzegeltje veen dat hier nog in Friesland ligt. Ik was daarom niet echt onder de indruk. Leuk dat het er nog is, maar het stelt zeker kwantitatief niet zoveel voor, hoewel er heel mooie dingen te zien zijn. Ik moest ook denken aan de hoogveengebieden die ik voor mijn werk in Estland had bezocht. Tientallen kilometers hoogveen met alleen maar zielige boompjes erop en miljarden insecten voor wie daarvan houdt.

Bed, wastafel, prullenbak

Na waarneming van een grauwe klauwier, een blauwborst, lepelaars en nog meer kraanvogels in het veen in de buurt van de werkschuur van Natuurmonumenten, gingen we even naar het Natuurvriendenhuis in Darp bij Havelte. De sfeer van dat soort huizen is heel bijzonder. De kamers stralen een soort gereformeerde (of wellicht socialistische) Rust, Regelmaat en Reinheid uit.

IMG_3525(1)(1)

De hele entourage lijkt te suggereren: hier komen alleen eerlijke oprechte mensen met belangstelling voor de zuiverheid van de natuur, zonder ziekelijke neigingen als ruzie maken of stomdronken worden. De kamer bestaat uit een bed, een wastafel, een prullenbak en een doekje om de wastafel mee schoon te maken. Geen overbodige plaatjes aan de muur. Je zou er eigenlijk nog een Bijbel of een ander stichtelijk schrijfsel verwachten. Vergelijkbare kamers ken ik van de ‘Evangelische Akademien’ in Duitsland. Daar zit of lig je alleen op je kamer in je contact met God en de Schepping. Een plaats van ‘Wahrheit und Demut’.

Birding breaks, birding freaks

Na deze korte stop vlakbij de hunebedden, gingen we maar eens eten. Uitstekend eten vlakbij de golfbaan. Waar praten vogelaars eigenlijk over? Het is zeker geen verrassing dat vogelaars veel over vogels praten, niet alleen over hun waarnemingen in binnen- en buitenland, maar ook over verre vogelreizen, met organisaties waarvan ik tot voor kort het bestaan niet vermoedde zoals ‘Birding Breaks’.

RM3_2875

Er wordt nuttige informatie uitgewisseld niet alleen over de bestemmingen, de kwaliteit van de overnachtingen, maar ook – zeker niet onbelangrijk – de deskundigheid en de sociale vaardigheden van de groepsleider bij reizen naar Donaudelta, Spaanse hoogvlakte of Afrikaanse rivierdalen. Ik gun iedereen van harte dit soort reizen, maar ik krijg het al benauwd als ik de verhalen hoor. Twee dagen vogels kijken overschrijdt bij mij al bijna mijn tolerantiegrens. Een hele week of twee weken achter de vogels aan, ik moet er niet aan denken.

Terug naar de tempel van de zuivere natuurliefde

RM3_2883

Na de stop in Appelscha ging het nog eens naar de schuur van Natuurmonumenten, waar we na een vrij klunzig filmpje een rondleiding kregen van een boswachter. Zijn sterke punten lagen duidelijk ergens anders dan een groep gevorderde vogelaars iets nieuws te vertellen, maar ik vond het een aardige man, met het hart op de goede plaats. Ik had nog een aangenaam gesprek met hem terwijl de muggen mij probeerden lek te prikken. Sommige mensen waren teleurgesteld, maar ik vond het tot dit moment een leuke avond.

Voor mij kwam de echte domper op de feestvreugde pas toen we weer in het Natuurvriendenhuis aankwamen. Na al dat achter de vogels aan sjokken, leek mij een gezellig samenzijn met een gezellig drankje de enig juiste volgende stap. Er was geen pilsje te krijgen. Ik keek nog jaloers naar een paar mensen die hun eigen zondige drank de tempel van de zuivere natuurliefde hadden binnengesmokkeld. Ik overwoog nog hen te overvallen, maar dit ging zelfs mij te ver. Even later zat ik met een glas water op de rand van mijn bed een verantwoord boekje te lezen bij de energiezuinige klimaatvriendelijke LED-verlichting.

Doodzonde: vloeken tegen de wielewaal

De volgende ochtend, moet ik met schaamte toegeven, werd ik vloekend wakker van het uitbundige vogelgezang. Ik overwoog nog het raam dicht te doen en dacht nog even aan mijn studententijd waarin wij, als de vogels rond een uur of vier begonnen te zingen, de muziek harder zetten om even te vergeten dat het ochtend en geen avond meer was. Ik sliep hierna gewoon door tot een uur of zeven en kwam op tijd aan het heerlijke door Anke tot in de puntjes voorbereide (iedereen 1 krentenbol en 1 mueslibol, etc.) ontbijt. Daar hoorde ik lyrische verhalen over de zang van de wielewaal. Ik had dus tegen een wielewaal liggen vloeken, idioot die ik was! Dat is geen goed begin van een vogeldag.

Bert Garthoff, IVN en Weerribben (1965)

weerribben IVN 2

Voor de zondag stond het gebied ‘De Weerribben’ op het programma, voor mij een gebied met een bijzondere herinnering. Tussen 1955 en 1978 werd elke zondag het programma ‘Weer of geen weer’, de voorganger van ‘Vroege Vogels’ uitgezonden. Bert Garthoff was daar de hoofdredacteur en presentator. Ook trad Fop I. Brouwer met zijn “Alles wat leeft en groeit en ons altijd weer boeit” daar op. Bert Garthoff besteedde rond 1965 aandacht aan de IVN-kampen waar jongeren mee konden helpen met natuurbeheer.

weerribben IVN

Mijn moeder hoorde dat en suggereerde dat dat iets voor mij zou zijn. Ik gaf me toen op voor een week werken in de Weerribben. Ik herinner me de golvende graslanden, de vele muggen- en dazensteken en het zware werk op het veld (aan het werk op foto links en midden in de boot op de foto hierboven). Ik ben daarna lid geworden van de NJN en ben de rest van mijn leven een natuurliefhebber gebleven.

 

Na allerlei discussies over het precieze programma (wel of niet roodhalsfuten gaan zien? etc.) werd besloten maar meteen richting Weerribben te gaan, een wat mij betreft gelukkige beslissing. Nog een zeldzame soort erbij hoefde voor mij niet zo nodig. Mij gaat het om de natuurbeleving en niet om de waarneming van soorten. Met die natuurbeleving zat het wat mij betreft meteen goed.

De betrokken buitenstaander

Niet zo ver van het Natuurvriendenhuis ligt het gebied ‘De Auken’. Door het riet liepen wij naar een uitkijktoren. Wat we vanuit deze uitkijktoren zagen, was voor mij het hoogtepunt van het weekend en zeker een hoogtepunt van een heel jaar vogels kijken, RM3_2909RM3_2940 ook al zagen wij – in termen van de waarnemingslijsten – helemaal niets nieuws, geen nieuwe soorten. Wat wij zagen, was in mijn ogen veel mooier.

Purperreigers vlogen af en aan naar hun foerageergebied. Steeds kwamen ze in wisselend vliegrichtingen met wisselende belichting over, dan weer laag, dan weer wat hoger.

Niet ver hier vandaan stonden meerdere zilverreigers, inmiddels een algemene vogel van dit soort gebieden maar daarom niet minder mooi.

Visdiefjes doken regelmatig van grote hoogte loodrecht in de plas. In de directe omgeving bevond zich een nest van bruine kiekendieven. Een heel mooi moment was toen er een prooioverdracht tussen het echtpaar kiekendief plaatsvond. Er was voortdurend bedrijvigheid in, boven en naast de plas.

RM3_2899

Onafhankelijk van elkaar waren de verschillende vogelsoorten druk bezig met de door hun instinct voorgeschreven taken. Wij stonden erbij en keken ernaar. Zolang wij de natuur een beetje ruimte geven, kan dit miljoenen jaren zo door gaan. Dat noem ik natuurbeleving: betrokken raken bij een wereld waarin je totale buitenstaander bent.

Opwinding tussen de telescopen

Wat mij betreft, hadden we nu naar huis kunnen gaan. Dit was perfect. We gingen nog naar verschillende andere plaatsen, zoals een uitkijktoren bij Scheerwolde. Door een navigatiefout kwam ik samen met Philip daar veel te laat aan. Wij zagen dat daar boven op het kleine platform een bijna hysterische opwinding was ontstaan.

RM3_2950

Er was een roerdomp gesignaleerd. Ik probeerde mijn telescoop in het woud van telescopen te planten. Met hulp van anderen kreeg ik de bruine vogel met enige moeite enige tijd in beeld. Heel klein en heel ver. Het kon mij niet zo boeien. Misschien zie ik er nog wel eens een van iets dichterbij. Dat zou wel leuk zijn. Veel leuker vond ik de oeverzwaluwen, die daar af- en aanvlogen in de speciale oeverzwaluwwand en ook de geoorde futen, die ik tenminste goed kon zien.

RM3_2952

Uitbundig waterplezier en een hap tot slot

Tenslotte kwamen we nog op een plek waar van rustig genieten van de natuur geen sprake meer kon zijn. Hier werd onrustig, luidkeels (in het Nederlands en Duits) van het weer en het water genoten. Het was schitterend weer en alle beschikbare bootjes dreven, gevuld met halfnaakte lijven, op het water in de buurt van Giethoorn. Ik vind het grappig wat er gebeurt in Nederland als het eens zulk fantastisch weer is. Totale gekte en ongeremde lol. Ook leuk. Die vogels hadden we toch al gezien.

RM3_2959

Het was goed dat we iets eerder dan voorzien de terugtocht aanvaardden en onderweg bij een wegrestaurant een best redelijke maaltijd nuttigden. Geen rustieke plek, maar redelijk eten en vriendelijke bediening. Leuk om nog even na te praten.

 

Forty Years Publishing in Energy Policy: 1977-2017

Burning Ten Guilder Notes for Energy Conservation

Energy Policy 1977: Depletion Policy Options for Western Europe

I was still a student when I published my first professional publication in the authoritative journal Energy Policy, together with professor Jan Kommandeur (see picture below) and associate professor Bert de Vries. It was an article on the policy options for depleting Europe’s oil and gas reserves, mainly the then recently developed North Sea fields. We ran a computer simulation model on the central computer of Groningen University, a system with less computing capacity than an average smartphone today. At the time, using the computer added credibility to your work. Only a select elite had access to the new technology.

IMG_0009-me

The calculations were pretty straightforward though. We used oil reserve data, some assumptions on growing reserves (new reserves and increase in existing reserves) and depletion rates to forecast future output. Jan, Bert and I prepared the semi-final draft of the article during a weekend in a holiday home somewhere in the forests of Drenthe around October 1976. The room was heated by an old-fashioned wood-stove. In the evening, after a day of hard work, we discussed the policy implications of our calculations and, after considerable quantities of cold beer, we moved towards more general and more philosophical issues. When adressing the issue of energy conservation, we discussed the problem of monetary savings as a result of reducing energy use. What are we going to do with the money we save? If we use it for an additional holiday flight to Barcelona, net energy savings will be negative. We took another beer and concluded that the only safe way to conserve energy was to destroy money. Then all three of us threw a ten guilder note into the stove. Happy about our heroic contribution to sound energy policy, we went to bed. The next day we finalized the article. It was published in December 1977.

A Good Text Ruined by Social Science Jargon

Energy Policy 2017: Certifying the sustainability of biofuels

My next major article for Energy Policy was 40 years later. My main work from the 1990s until present is on sustainability and supply chains, including certification systems for sustainable raw materials. Setting up the Roundtable on Sustainable Palm Oil for WWF and private sector players was one of my major achievements in that time.

In 2015, I was asked by the Institute for Advanced Sustainability Studies in Potsdam to participate in their workshop ‘Bioenergy: Status Quo, Trends and Sustainability Governance’ on October 15-16 of that year, travel costs and hotel paid. I thought it was a good opportunity to bring in my knowledge and experience in the field of sustainability and supply chains.

Young academics like to make things more complicated than they are

If I had checked the programme and the participants a bit more carefully, I would probably not have participated. Most participants were younger academics fighting their way to recognition in a world dominated by journals, reviews, quotation indices and what have you. Intelligent people with a structural lack of knowledge about the real world. I always see my role (and generally the role of practical research and consultancy) in making complex issues simple. These young academics apparently specialize in complicating simple issues by using difficult jargon.

x

During the workshop the idea was born to bundle our contributions into a Theme Issue of the Energy Policy Journal. I agreed to write one article and to include some of the work by other participants. I wrote an article in which I managed to use a number of practical lessons from my own work. I still think it is one of my best and most practical publications on the sense and nonsense of private sector driven certification systems.

Not my most convincing text, I am afraid

Apparently, the organizers had difficulties to get my article accepted. It took more than a year and eventually my article was drastically revised by a social scientist. As I was on holiday in Scotland, I did not have a chance to take control. As a result, my clear and simple line of argumentation was hardly visible anymore. References had been included to authors who do not have a clue about the real issues, but manage to get their complicated social science jargon published. The paragraphs on ‘methodology’ that had been added, did not have any relationship with the way I develop my arguments and collect my data in real life. After all this editing, the article was accepted by the Journal, but it is certainly one of the least convincing texts I have ever contributed to.

R. de Man, J. Kommandeur, B. de Vries, Depletion Policy Options for Western Europe, Energy Policy, December 1977.

R. de Man, L. German, Certifying the sustainability of biofuels: Promise and Reality, Energy Policy, forthcoming, 2017.

 

 

Zestig jaar vogelen – korte terugblik

Texel het vogeleiland (Ede 1958)

We wonen in Ede, boven op de Paasberg. Groot huis, grote tuin, veel vogels. In de kast staat Zien is Kennen, dat geraadpleegd wordt als een goudvink of een gekraagde roodstaart zich voor het raam van de eetkamer vertoont.

ZisK

Het is een bijzondere dag. Trots als een pauw fiets ik naar de Christelijke Groen-van-Prinstererschool, in mijn tas het boek Texel, het Vogeleiland door J. Drijver. Een dag daarvoor heb ik ƒ 17,50 van mijn spaarbankboekje gehaald om bij boekhandel Pel dit dure boek te kopen. We gaan in augustus een hele maand naar Texel waar we in het huis van de eigenaren aan de Vuurtorenweg zullen verblijven, terwijl die zich in hun schuurtje terugtrekken. Vol bewondering kijken de onderwijzers naar mijn geweldige aankoop, vooral Meester Stel, die altijd heel veel over vogeltjes vertelt in de les en door veel van mijn medeleerlingen een vogeltjesgek genoemd wordt. Meester Stel weet alles van vogeltjes en is diep gelovig: de natuur als uiting van Gods grootheid. In de les vertelt hij over het ophangen van nestkasten en zijn waarnemingen van de zeldzame draaihals.

cms_visual_695391.jpg_1475665775000_300x410

Een paar dagen hiervoor had Meester Stel mij betrapt op dwaze gebaren die ik maakte tijdens het gebed. Ik stribbelde nog tegen en zei dat hij mij nooit had kunnen zien als hij – volgens zijn eigen regels – zijn ogen netjes had gesloten. Ook hij was dus in overtreding, maar hij waardeerde mijn opmerkingen daarover niet. Nu ik met dit boek aan kom zetten, lijkt dit vergeten. Hij vindt mijn nieuwe aankoop prachtig en ik krijg de waardering waarnaar ik verlang.

Knardijk op weg naar Lelystad (rond 1965)

In de derde klas van het gymnasium zit ik lange tijd naast Aart Noordam, zoon van twee biologen. Hij weet heel veel van vogels en is één van de belangrijke deskundigen in NJN afdeling Wageningen. Hij en een ander actief lid dat in mijn klas zit, Eric Gerding, overtuigen mij om ook lid te worden. Sindsdien gaan we vrijwel elk weekend op excursie, vooral om vogels te kijken: Blauwe Kamer, Grebbeberg, Ginkelse heide, Hoge Veluwe, etc. Een vaste bestemming is de Knardijk naar Lelystad.

We zijn die ochtend nog voor half zes opgestaan. We fietsen (met laarzen aan) naar Harderwijk, vanaf Ede zo’n 45 km en dan nog een stuk over die lange dijk. De Flevopolder is nog volop in ontwikkeling. Links van de knardijk is nog water en rechts zijn eindeloze rietvelden. Ik leer daar als nieuw NJN-lid de belangrijkste watervogels kennen zoals smienten, slobeenden, middelste zaagbekken, brilduikers, kuif- en tafeleenden. Ook in de rietvelden zit van alles. Eén van de gebroeders Boerwinkel (Frits geloof ik) heeft een blik appelmoes bij zich. Dat snijdt hij met een zakmes open en dan eten we brood met appelmoes. Aan het eind van de dijk is een soort kantine voor werklieden. Daar drinken we koffie. Lelystad zelf moet nog gebouwd worden. Op de terugweg wijst Aart mij op een aantal eenden met witte spiegels. Een voor die tijd geweldige waarneming: krakeenden!

$_85
Lelystad rond 1965

Na een aantal van dit soort excursies treed ik toe tot het bestuur van de afdeling Wageningen, waar ik ook Hein Pons, zoon van de Wageningse bodemkundige, leer kennen. Ik word verantwoordelijk voor het blad De Kemphaan. Ik leer het ambacht van stencilen. Hein is voorzitter. Ook in het bestuur zitten Jaap Wiertz, Aart Noordam, Eric Gerding en een zekere Marja. De laatste twee zijn nog een tijdje met elkaar getrouwd geweest.

Texel 1972 en 1973

RM3_1622
Het gezelschap Texel 1972: Akke, Hein, Jacynta, Constance, aart, Hans, Meine, Beatrice, Maria

Ik wilde biologie gaan studeren, maar om verschillende redenen werd het toch scheikunde, een studie waar ik mij nooit thuis gevoeld heb, maar gezien mijn uitstekende studieresultaten heb ik vrijwel nooit overwogen ermee te stoppen. Al mijn kennissen studeerden biologie. Daarbij waren ook de oude NJN-contacten. Wij zetten de NJN-traditie voort, bijvoorbeeld tijdens winterse weekenden op Texel.

RM3_1624
Aart Noordam en Hans Klifman (1973)

Met Hans Klifman, die samen met Hein Pons in Utrecht biologie studeert, loop ik langs een kaarsrechte weg door de Eierlandse polder, waarschijnlijk de Hoofdweg. Het is guur koud. Hans – de Tukker die zich bij het groepje NJNers uit Wageningen heeft aangesloten – heeft een fles tamelijk gore Citroenjenever bij zich, maar die geeft ons toch een beetje warmte op de tocht richting boerderij Zeeburg, de boerderij waar we die nacht slapen. Als we daar tenslotte aangekomen zijn, bakken we pannenkoeken (in die tijd nog pannekoeken) met spek en stroop en zetten er een kop koffie bij. Als we (Hein, een zekere Pauline uit Utrecht, Aart Noordam, Ton Ceelen uit Leiden) de volgende ochtend wakker worden, ligt er een laagje ijs op de restjes koffie in onze bekers.

RM3_1625
Reinier de Man, in de mode van die tijd

De volgende dag lopen we van Zeeburg over de Waddendijk naar de boot. Welke vogels we toen gezien hebben, weet ik niet, maar er zullen ongetwijfeld eidereenden, verschillende meeuwensoorten en steltlopers bij geweest zijn. Op de terugweg blijkt de pot stroop in een van onze rugzakken niet goed dicht te zitten. In de trein regent er stroop in het haar van Pauline. Heel vervelend.

Voorne 1985

Ik studeerde tussen 1974 en 1977 in Groningen en woon sinds 1978 in Leiden. Ik kijk nog wel af en toe vogeltjes, vooral met Ton Ceelen. We nemen dan de trein naar Rotterdam en gaan met metro en bus naar Voorne. Ik had in die tijd geen rijbewijs en zeker geen auto. Onze tochtjes naar Voorne leveren altijd interessante waarnemingen op.

Ik loop met Ton door de duinen van Voorne langs het Brede Water. Aan de overkant zijn de bomen wit van de aalscholverstront. In het water zien we kuifduikers. We lopen verder en gaan de duinen over naar het strand. Daar komen we strandleeuweriken tegen. Als we een tijd later nog even naar het Oostvoornse meer gaan, zien we wilde zwanen met hun prachtige gele snavels. Nog even iets drinken in Oostvoorne en dan weer met de bus richting Rotterdam.

 

Valle de Lago, juli 2002

RM3_1635
Vale Gier

Veel tijd voor vogels kijken is er niet in de jaren 1990-2010. We gaan met de kinderen op vakantie en er moet brood op de plank komen, wat uitstekend lukt met mijn adviesbureau, maar veel tijd is er niet over.

De mooiste vogelervaringen zijn tijdens onze reizen naar Spanje. Wij kamperen bijvoorbeeld op de camping van Valle de Lago in het gebied van Somiedo: een prachtig berggebied in Asturië. Andere jaren zijn wij in de buurt van Plasencia in het natuurgebied van Monfragüe. Uitstekende plekken om Vale Gieren, Aasgieren en nog zeldzamere soorten te zien.RM3_1629

Noss, Hermaness, juli 2016

Als we later niet meer de hele zomervakantie met de kinderen doorbrengen, ontstaat er weer meer ruimte voor tochten door de natuur. Het wordt nooit de hoofdmoot, maar we gaan regelmatig naar vogels kijken, vooral tijdens onze reizen naar Engeland en Schotland.

RM2_4267
Jan van Genten op Noss

De bootexcursie vanaf Lerwick naar Bressay en Noss is fantastisch: Jan van Genten, grote jagers en nog veel meer.

Een wandeling naar het natuurreservaat van Hermaness op de Noordpunt van het Noordelijkste eiland van Shetland wordt een absoluut hoogtepunt: grote jagers, duizenden Jan van Genten, maar vooral de papegaaiduikers (Puffins).

RM2_4556
Papegaaiduikers in Hermaness

Vogelwerkgroep KNNV Leiden vanaf mei 2016

RM3_1371
Bruine Kiekendief (man), Hoekse Waard

In mei 2016 besluit ik lid te worden van de Vogelwerkgroep van KNNV Leiden. Afgelopen jaar heb ik aan twaalf excursies deelgenomen, aardige en interessante mensen ontmoet, veel nieuwe kennis over vogels en interessante vogelgebieden vergaard en mij af en toe verbaasd over het vermeende belang van de lijst van waarnemingen. Voor mij gaat het in de eerste plaats om de schoonheid van de natuur, niet om het aantal soorten. Tweehonderd smienten in het ochtendlicht zijn zeker zo mooi als (of zelfs mooier dan) een paartje uiterst zeldzame dwerggorzen in een zielig bramenbosje in Noordwijk. Zie hierover mijn andere blogs. Ik ben meer dan ooit geïnteresseerd in vogels, maar ook het psycho-sociale verschijnsel ‘vogelaar’ boeit mij enorm. Waarom staan mensen om half zes op om na een uur autorijden grutto’s door het weiland te zien stappen? Daarover later meer.

RM3_1404
Kluut en wilde eend

 

_____

Dure blikvernauwers

Meer betalen om minder te zien

20170115_155550

Help, ik heb 1000 Euro uitgegeven om minder te kunnen zien. Hoe is zoiets mogelijk? Als lid van de vogelwerkgroep Leiden van de KNNV neem ik regelmatig aan excursies deel. De leden van deze werkgroep sjouwen telescopen en statieven van vele kilo’s door de polder om dan helemaal aan het eind van het veld een graspieper van een waterpieper te kunnen onderscheiden. Ik kon niet achterblijven en heb ook zo’n joekel gekocht.

Na een dag sjouwen kom ik dan thuis, in de regel met lichte rugklachten en soms met interessante waarnemingen. Ik heb mij laten misleiden. Er werd gezegd: neem een ‘scoop’, dan zie je een stuk meer. Had je gedacht. Je ziet een stuk minder.

RM2_8366_DxO.jpg

Stel dat je zonder hulpmiddelen een blikveld hebt van iets meer dan 40 graden (de kijkhoek van een klassieke kleinbeeldcamera met een 50 mm lens), dan neemt dit veld af tot minder dan 1 graad bij een 50x vergroting. Zonder vergroting is mijn blikveld op 250 meter zo’n 180 meter. Met vergroting van 50x zie ik op die afstand nog een stukje van minder dan 4 meter breed door mijn dure scoop.

Jachttrofeeën uit de blikvernauwer of genieten van de wijdse natuur?

Onlangs heb ik mij laten verleiden in Noordwijk naar twee verdwaalde dwerggorzen te gaan kijken. Na lang wachten hadden we ze dan eindelijk in de scoop. We konden de waarneming van een zeldzaamheid aan onze jachttrofeeën toevoegen. Maar laten we nu eerlijk zijn: wat is nu mooier, een groep van 400 smienten in het prille ochtendlicht of twee van die schriele vogeltjes in onze dure blikvernauwer?

Misschien wordt het tijd voor een nieuw type scoop: de groothoekscoop. Een apparaat waardoor je een grotere beeldhoek krijgt. Een omgekeerde verrekijker is misschien te veel van het goede, maar geeft wel een idee van welke richting het op moet. Een wijdere blik op de betoverende natuur om ons heen. Hiermee zullen we gigantische zwermen trekvogels kunnen waarnemen. Dat we dan niet meer kunnen onderscheiden, welke soorten het zijn, dat moeten we dan maar op de koop toenemen.

Of we kijken toch af en toe even stiekem door onze dure blikvernauwer.

RM2_9128.jpg
Dwingelderveld: Davidsplassen – dit zie je niet door een scoop